Aardewerk. Gedichten VI. Gesigneerd

Hubert VAN HERREWEGHEN
€10,00
Verzenden naar
*
*
Verzendmethode
Naam
Geschatte levering
Prijs
Geen verzendopties

Year: 1984
Publisher: Lannoo, Tielt - Weesp
Edition: 1st
Language: NL
Pages: 64
Condition: VG
Binding: SC
Series:
 De Golfbreker
Ft:
 22,3*14*0,7 cm. 125 gr.

- 'AARDEWERK' (Gedichten VI), is de eerste bundel die Hubert Felix Arthur van Herreweghen (Pamel, 16 februari 1920 – Dilbeek, 4 november 2016)  sedert zijn 'VERZAMELDE GEDICHTEN' (1977) publiceert. De titel suggereert het verduurzamen van 'aarde' of aardsheid door 'werk' of ambachtelijkheid tot 'aardewerk', dat weliswaar onvolmaakt blijkt als alles wat van deze aarde is, maar toch de volmaaktheid nastreeft. Het gedicht als 'aardewerk': broze duurzaamheid, ook in het fragmentarische, eenvoud die raffinement wil en kan zijn. Vooral vanaf 'GEDICHTEN III' (1961), waarmee de dichter de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie ontving, was een evolutie merkbaar naar een soort betekenisvolle 'poésie pure'. De soms overspannen dualistische levenshouding uit eerder werk, vooral uit 'GEDICHTEN' (1953) klaart uit en wordt uitgepuurd. De wezenlijk religieuze problematiek blijft bestaan, maar levensblijheid en vooral het paradijsvisioen halen de bovenhand. Speelsheid en taalspel ontkrachten de tragiek, b.v. in de cyclus 'Aswoensdag' uit 'GEDICHTEN III'.
Dit sublimerende relativeren wordt in 'AARDEWERK' sterk doorgetrokken. De dichter biedt ons schijnbaar eenvoudige, speelse, lichtvoetige en volkomen uitgepuurde versjes aan.
Maar deze schijn bedriegt: de grondtoon is tragisch gebleven, al werd de verwoording volkomen uitgezuiverd en komt het spelelement door verkleinwoorden, een volkse toon, rijmenspel en zelfs door de uiterlijke vorm van de gedichten sterk op de voorgrond. Het zijn miniaturen, met van de miniatuur de schijnbaar naïeve eenvoud die rijkdom en diepte betekent. Vol speels raffinement spreekt de dichter over de vergankelijkheid: "al wat de man in vrouwen loofde,/ de schedel, dat is waar." Het verlangen naar stilstand, een constante in het levensgevoel van deze dichter, wordt sterk beklemtoond. Ook het afstandelijke kijken naar de dingen, mét de behoefte om in de natuur óók een ding te mogen zijn: "zie ik mezelf, ik ben een tak". Maar de dingen blijven geladen met magische krachten, waartegen de dichter, anders dan vroeger, zich al eens te weer stelt door ironische overstatements: de tuin wordt dan een woud, de merel een wroetend everzwijn.
In de eenvoud van de tekst, in en met het naakte woord zoekt de dichter een existentiële verklaring, die pas zal komen na de dood: "Opener dan dicht is toe." En: "Eens gaat wat nu toe is open." Dit laatste vers is niet toevallig het slotvers van 'AARDEWERK', een bundel met de bedrieglijke diepte van een helder water, waarin je zowel de bodem als de hemel ziet.
- Gesigneerd door de dichter.